— Tram Track Tracer

Bouwstenen

De inpassing van de tramlijn in de ruimtelijke context wordt in GIS nagebouwd aan de hand van een beperkt aantal bouwstenen, die hetzij een onderdeel van de traminfrastructuur, hetzij de impact van de tramlijn op zijn omgeving voorstellen:

  1. Een tramsegment, dit is een stuk trambedding met homogene karakteristieken
  2. Een tramhalte
  3. Een kunstwerk (tunnel, brug, keermuur, …)
  4. Een kruising met een andere infrastructuur
  5. De aanpassing van een straat n.a.v. de integratie van de tramlijn
  6. De onteigening van een gebouw of een terrein
  7. De doorsnijding van open ruimte
  8. Een ontwikkelbaar gebied aan een halte

2.1 construction copy

Elk van deze bouwstenen wordt aan de hand van verschillende karakteristieken beschreven

  1. tramsegment: type bedding en beveiliging, topsnelheid
  2. tramhalte: verliestijd, aantal parkings
  3. kunstwerk: type kunstwerk, kostprijs, aandeel tram
  4. kruising: wegencategorie, type kruising, type beveiliging
  5. aanpassing van bestaande infrastructuur: kostprijs
  6. onteigening: type eigendom, kostprijs
  7. doorsnijding van open ruimte, type open ruimte, mate van versnippering
  8. ontwikkelbaar gebied: omvang, programma, dichtheid

 

Opbouw van een tramtracé

Verschillende bouwstenen worden aan elkaar gekoppeld tot een tracécomponent (een stuk tramlijn). De aaneenschakeling van tracécomponenten resulteert in een deeltracé. Verschillende opeenvolgende deeltracés vormen een volledige tramlijn. Door andere schakelingen van componenten en deeltracés kunnen talloze verschillende tramlijnen gevormd worden.
De karakteristieken van de tramlijn worden eerst op componentniveau bepaald, vervolgens voor het deeltracé en tenslotte voor de hele tramlijn.

2.2 network

Interactie van de trambedding met zijn omgeving

Door combinatie van karakteristieken van de tramlijn en de ruimtelijke context, kan de interactie van de tramlijn op zijn omgeving worden bepaald. De ruimtelijke context wordt conceptueel beschreven in drie lagen: het fysisch systeem, het bestaande infrastructuurnetwerk en het ruimtegebruik (bebouwing, landbouw, …).

De interactie van een trambedding met het ruimtegebruik wordt beschreven aan de hand van de verenigbaarheid met het karakter van de omgeving, de beschikbare ruimte (en eventuele onteigeningen die nodig zijn) en de inname van bestaande wegenis.

De interactie met het infrastructuurnetwerk wordt bepaald door de impact op doorstroming van het wegverkeer, de impact op oversteekbaarheid voor fietsers en voetgangers en het mogelijk oponthoud van de tram door andere verkeersmodi.

De impact op het fysisch systeem wordt gemeten aan de hand van de mate van bundeling met bestaande structuren, de doorsnijding van kwetsbare ecotopen en de versnippering van waardevol landschap.

2.3 interaction w env copy

Interactie van een tramhalte met zijn omgeving

Ook een tramhalte interageert met de drie onderscheiden lagen in de ruimtelijke context.
Het actueel ruimtegebruik bepaalt het gebruikspotentieel rond een halte: het aantal omwonenden, de tewerkstelling, de aanwezige centrumfuncties, ruimte voor verdichting en ontwikkeling.
De interactie van een halte met het infrastructuurnetwerk bepaalt de verknoping van de tramlijn met andere openbaar vervoernetwerken (trein, tram, bus), met fietsnetwerken en met het wegverkeer.
De interactie met het fysisch systeem, tenslotte, bepaalt (samen met het ruimtegebruik) of er rondom een halte terreinen in aanmerking komen voor ontwikkeling.

2.4 int w env

Parametrisering van de tramlijn

De combinatie van karakteristieken van de tramlijn met eigenschappen van het ruimtegebruik, het infrastructuurnetwerk en het fysisch systeem, bepalen de performantie van de tramlijn volgens de onderscheiden criteria.

2.5 parametric